Verslag symposium 'Tussen soevereiniteit en samenwerking'

Op donderdag 21 april organiseerde de Werkgroep Internationale Samenwerking, samen met haar evenknie bij D66, een bijeenkomst getiteld ‘Tussen Soevereiniteit en Samenwerking: een discussie over het begrip soevereiniteit in tijden van voortgaande globalisering en opkomend nationalisme’. De sprekers waren prof. dr. Nico Schrijver (hoogleraar Internationaal Publiekrecht aan de Universiteit Leiden en lid van de Eerste Kamer voor de PvdA) en dr. Marloes Beers (universitair docent Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht). De bijeenkomst werd gemodereerd door Richard Wouters (Bureau De Helling).

Dr. Beers trapte de bijeenkomst af en stelde dat nationale soevereiniteit allang niet meer enkel gestoeld is op rechten. Het is een beginsel voor statelijke rechten, maar tegenwoordig zeker ook een bron van plichten. Met de soevereiniteit komt ook een bepaalde verantwoordelijkheid voor het welzijn van de burgers en die burgers zijn zich daar ook steeds meer van bewust.

Prof. dr. Schrijver was het hier volledig mee eens. Een interessant voorbeeld is de huidige situatie rond de gaswinning in Groningen en de vraag of de NAM en de Nederlandse staat strafrechterlijk vervolgd kunnen worden. De nationale soevereiniteit wordt op z’n minst berperkt door een aantal mondiale waarden: humaniteit, duurzaamheid en gelijkheid. Schrijver heeft in zijn onderzoek naar soevereiniteit veel verschillende vormen van soevereiniteit geteld (hij kwam uit op 32 veelvoorkomende soorten), waarvan volkssoevereiniteit en nationale soevereiniteit er slechts twee waren.

Beers opende de discussie door te vragen of het verantwoordelijkheidsgevoel dat gepaard zou moeten gaan met nationale soevereiniteit in de meeste landen daadwerkelijk door de (leiders van de) staat zelf gevoeld wordt of dat zij er vooral regelmatig op gewezen worden door andere staten, bijvoorbeeld binnen het raamwerk van de VN. Is de VN daarmee vooral een controlerende organisatie aan het worden? Schrijver antwoorde dat het feit dat alle lidstaten van de VN, onafhankelijk van de mensenrechtenverdragen die ze hebben geratificeerd, iedere vier jaar een Periodic Review moeten ondergaan. Hieruit blijkt dat universele rechten steeds meer geaccepteerd worden als de norm, zo lijkt het.

Wouters vroeg vervolgens naar het begrip ‘gedeelde’soevereiniteit, doelend op bijvoorbeeld de Europese Unie. Bestaat er zoiets als gedeelde soevereiniteit? De sprekers waren het erover eens dat dit inderdaad op de Europese Unie van toepassing is. Wat het echter nog complexer maakt is dat de mate van gedeelde soevereiniteit verschilt per onderwerp, dankzij de structuur van de EU. Echter, uiteindelijk zijn de EU-lidstaten ook nog nationaal soeverein, omdat ze de optie hebben de EU te verlaten.

De eerste vraag uit het publiek ging over de ontwikkeling van het begrip soevereiniteit. Zien we momenteel een post-Westfaalse opvatting van soevereiniteit? Schrijver waarschuwde dat de term ‘Westfaalse soevereiniteit’ erg Euro-centrisch is. In bijvoorbeeld Azië kende men deze vormen van soevereiniteit al lang voordat deze haar intrede deed in Europa. Desalniettemin geloofde Schrijver niet dat we al een post-Westfaalse statenorde zien, ondanks dat er inderdaad drastische veranderingen hebben plaatsgevonden in de definitie van het begrip, met tegenwoordig meer nadruk op de plichten van staten (waaronder een Responsibility to Protect). Beers zag wel een reden om te spreken van een post-Westfaalse soevereiniteit. Wat er sinds een jaar of 50 drastisch anders is dan voorheen is de enorme zoektocht naar internationale samenwerking. Waar voorheen de nadruk op zelfvoorzienendheid lag, lijkt er een besef te zijn dat staten gewoon niet zonder elkaar kunnen bestaan. Post-moderne soevereiniteit kan dan gezien worden als ‘een plek aan de vergadertafel’, in plaats van de macht alle beslissingen zelf te nemen.

Vervolgens werd er gevraagd naar de toepassingen van nationale soevereiniteit in bepaalde regio’s in de wereld, bijvoorbeeld in Afrika en het grotere Midden-Oosten, waar veel arbitraire landsgrenzen getrokken zijn en waar staat en volk vaak niet overeenkomen. Beers gaf toe dat dit vaak niet werkt. Schrijver vulde aan dat personen soms een grote verbindende rol kunnen spelen, zoals bijvoorbeeld Nelson Mandela in Zuid-Afrika dat deed. Dit is echter zeldzaam. Een gevolg is ook dat het invoeren van de democratie in deze regio’s veel moeizamer verloopt. Het Westen maakt hierin ook onnodige fouten, door veel te snel te handelen wat betreft het erkennen van staten (zoals bijvoorbeeld Kosovo), aldus Schrijver. Vaak ontbreekt hier een historisch én een lange-termijn perspectief en gaat het teveel om het erkennen van een bepaalde regering.

Andere vragen draaiden om ‘hybride soeveriniteit’(gedeeld door bedrijven en staten), het verlies van nationale controle op vlakken waar dit nog niet gecompenseerd wordt door supranationale controle, het heffen van belasting als recht van de staat (en de rol van Nederland als belastingparadijs), en de vraag hoe om te gaan met mondiale ecocide.

Ter afsluiting van de bijeenkomst vroeg Wouters de twee sprekers wat zij zouden meegeven aan de onderhandelaars tijdens de huidige formatiegesprekken als zij één onderwerp kort mochten pitchen. Beers zou de nadruk leggen op het belang van het klimaat en het voorkomen van klimaatverandering. Schrijver zou graag meer aandacht willen zien voor de rechtstaat, liefst met een apart ministerie. Nu is het onderdeel van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Veiligheid moet niet voor de rechtstaat gaan. Tot slot wilde Schrijver graag een tweede advies meegeven, namelijk dat men moet beseffen dat het internationale belang ook het Nederlandse belang is (op het gebied van handel, maar ook in het voorkomen van conflicten). Zoals koningin Beatrix ooit zei: “Het lot van de wereld is ons lot.”

Geschreven door: Marianne Copier